Rots en plant

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu

Rots-plant

ROTSPLANTEN EN HUN LIEFDES  :


Een intrigerende vraag is : hoe kunnen deze kussenvormde rotsplanten op de rots hoegenaamd tot ontkieming komen en groeien?

De eerste 'bewoners' van een kale rots zijn korstmossen. Een korstmos is een symbiose, een soort samenlevingscontract, tussen een schimmel en een groenwier of een blauwalg. De alg zorgt voor de fotosynthese en bezorgt de schimmel voedingsstoffen, terwijl de schimmel de alg beschermt tegen de zon en water vasthoudt. De schimmel zorgt ook voor de 'body' of het karkas.

Hiernaast zie je trouwens op de stenen, als je goed kijkt, kleine gele vlekjes. Dat zijn korstmossen. Op de foto van Androsace helvetica, bij de pagina rotsweetjes, zie je de korstmossen nog beter.


Eens de korstmossen gevestigd zijn, dan houden ze kleine deeltjes vast, die dan een goede voedingsbodem bieden voor mossoorten. Die mossen op hun beurt zorgen voor humus wanneer ze afsterven. Deze humus is een ideale start voor een klein zaadje van een hoogalpiene rotsplant om uit te groeien tot een volwassen exemplaar.

Stel nu dat het zaadje op een goede plaats valt om te ontkiemen. Er is wat humus aanwezig van mossen en misschien wat stof dat in een spleetje in de rots samengewaaid is. De rotsplant kan wortels ontwikkelen en een eerste paar blaadjes vormen, wanneer de weersomstandigheden dit toelaten. Na een tijdje groeien in het spleetje van de rots, kan de plant niet meer verder, want de voedingsstoffen zijn zogezegd allemaal op en de wortels zouden niet verder raken dan de spleet dit toelaat. En toch slaagt de plant er in met zijn wortelstelsel dieper in de rots binnen te dringen. Hierbij krijgt de plant assistentie van het oudste wezen op aarde : de bacterie. Deze bacteriën bevinden zich op of rond de wortels van de plant en ze produceren een soort zuur dat de rots doet oplossen. Hierbij komen mineralen en voedingstoffen voor de plant vrij en in ruil geeft de plant aan de microbe koolstof. Ook zetten de microben afgestorven wortels om in nitraten en organische zuren, terug voedsel voor de plant en het teveel aan nitraten wordt terug door bacterieën omgezet tot zuren die bijdragen tot de verwering van de rots. Op deze manier kan de rotsplant jaren tot decennia op zijn rotsplekje gedijen.

Volgens onderzoeken zouden dit soort bacteriën zelfs in de zaden van alpiene planten en cactussen zelf zitten. Wanneer je een rotsplant direct op een rots uitzaait, dan kan die perfect ontkiemen en op de steen groeien. Dus moeten die bacteriën aanwezig zijn. Het is een feit dat heel moeilijke soorten het best overleven wanneer ze groeien in een steen, mits ze voldoende water tot beschikking hebben. De reden is dat schimmels en slechte bacteriën die anders de moeilijke planten doen wegrotten in normale humusrijke grond, niet kunnen aarden in de rots.

Helemaal niet zo vreemd die samenwerking tussen planten en microben, als je bedenkt dat ook mensen in hun darmen miljoenen bacteriën bezitten die helpen bij hun verteringsproces.

Er vindt zelfs in ons eigen lichaam een proces plaats dat gelijkenissen vertoont met de verwering van de rots door microben (in samenwerking met planten) : op onze tanden zitten bacteriën die maar al te graag meesnoepen van ons voedsel, ze zitten op de tanden in de vorm van 'tandplaque'. Ze zijn vooral verlekkerd op suikers, lekker veel carbon dus. En wat doen deze gasten daarmee ? Juist, ze zetten de suikers om in zuren die inwerken op het tandglazuur en uiteindelijk gaatjes in de tanden doen ontstaan. Net als bij rotsen, verwering bij de tanden ...


Elke plant maakt gebruik van bacteriën en schimmels om te groeien, te overleven en zich te beschermen tegen ziektes
. Als een plantenwortel groeit dan scheidt de wortel bepaalde substanties af, zoals suikers (koolstof) en proteïnen. Hiermee trekken de planten zelf microscopisch kleine schimmels en bacteriën aan, die de koolstof nodig hebben om te groeien. Deze kleine wezens bevinden zich in de 'rhizosfeer', dat is een paar millimeter ruimte direct rondom de wortels. Deze zone krioelt van het leven op microscopisch niveau. De schimmel echter gaat veel verder, schimmels kunnen tot een paar meter ver groeien. Op die manier kan de plantenwortel aan voedsel komen, dank zij de schimmel, waar de wortel zelf nooit aan zou kunnen. De kleine microben en schimmels zijn voedsel voor grotere microben en nematoden. Hetgeen de grotere microben te veel hebben, scheiden ze weer uit, en die stoffen zijn dan weer ideale voedingsstoffen voor de plant, zoals nitraten en mineralen. En de voeding is direct voor de plant beschikbaar, direct aan de wortels.

Het is ongelooflijk dat de planten zelf in controle zijn van de populatie goedaardige en in mindere mate slechtaardige wezens aan hun wortels. Deze populatie wezentjes vermindert of vermeerdert in aantal volgens de behoeften van de plant. In de rustperiode van de plant zullen de wortels veel minder voedingsstoffen voor de bacteriën vrijgeven, waardoor hun populatie automatisch vermindert.

Om een idee te geven van de populaties: in een koffielepel goede aarde zitten biljoenen bacteriën, verscheidende, onzichtbare meters schimmels, duizenden 'grote' bacteriën of protozoa en enkele tientallen nematoden.

Deze kleine vriendjes hebben nog meer voordelen. Microben kunnen zich zelf niet vasthechten, zouden gemakkelijk kunnen wegspoelen en daarom produceren ze een soort slijm. Door die slijmerige substantie hechten ze zich vast aan kleine partikels of aan de wortel. Dat doet ook een schimmel. Eigenlijk zijn het voedselpakketjes voor de plant, in die wereld eet iedereen iedereen op en het bijproduct is voedsel voor de plant. Dat voedsel is in de nabijheid en altijd voorhanden, mits er een gezonde microscopische leefwereld is. Er zijn natuurlijk ook ziekteverwekkende schimmels, virussen en worteletende nematoden, die de plant bedreigen. Maar als er genoeg goede bacteriën en goede schimmels aanwezig zijn, dan hebben de slechterikken geen plaats en dus ook geen kans tot overleven. Op die manier beschermt de plant zichzelf tegen deze boosdoeners en misschien 'geeft' ze haar kleine vriendjes meer eten om de ziekteverwekkers te lijf te gaan.

Een plant haalt dus haar energie, via fotosynthese, uit de zon. Ze gebruikt een deel van die energie voor zichzelf, maar er is ook een deel voor de wezentjes aan haar wortels en ook zelfs op haar bladeren. En dit is al miljoenen jaren zo.

Natuurlijk heb je dan de mens. En de mens zou de mens niet zijn, als hij de dingen of de natuur niet zou willen veranderen. Dus gebruikt de mens wat middelen die direct resultaat geven. Een insecticide hier, een schimmelwerend middel daar en een massa synthetische meststoffen voor een mirakuleuze groei. Met synthetische meststoffen zal een plant natuurlijk groeien, nitraten zijn nitraten. Echter, bij het gebruik van synthetische meststoffen, wordt een groot gedeelte van de microscopische leefwereld rondom de wortels vernietigd. De plantenwortels nemen slechts een klein gedeelte van de meststoffen op. De rest spoelt weg (in tegenstelling tot de vastgehechte bacteriële voedselpakketjes of fungi) en zakt in de aarde naar lagere regionen tot op de waterspiegel, waar de meststoffen een leuke bijdrage leveren tot het nitraatgehalte van het water. Wat insecticides doen met dat kleine leefwereldje, daar hoef ik geen uitleg bij te geven. Met andere woorden, hoe meer meststoffen je geeft, hoe meer je zal moeten blijven geven. Om over na te denken ....

Miljoenen jaren al groeien en bloeien planten al
, zonder tussenkomst van de mens. Raar maar waar ? Helemaal niet.

Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu